Deutsches Rechtswörterbuch (DRW): Obreptie

Obreptie

, f.

unwahre Angabe in der Absicht, einen Vorteil zu erschleichen, von lat. obreptio (vgl. zB. Dig. 2,4,10,2)
  • es dan bij der voirscreven narracien die wairheyt verzwegen oft die onwairheyt, dats loegentale, te kennen gegeven, soe is tvoirscreven mandement gescapen bij der gedaighder partijen geïnpungeert, gearguert, gestraft ende wederleegt te worddene van surrepcien ende obrepcien ende inciviliteyten
    1496 CoutBrab. II 1 S. 11
  • insgelijcx soude complainte gecleet mogen wordden tegen princilijcke brieven ende mandementen, die sulc wairen dat zij mits surrepcien ende obrepcien, partijen ongehoirt, vercregen wairen om in een goet voir douwarie oft andere gepreviligieerde saken, sonder opposicie, gestelt te worddene
    1496 CoutBrab. II 1 S. 91
  • oft dat rescript verworven is mits verswijgen van der wairheyt, dats bij surreptien, oft bij suggestien ende bijbrengen van loegentalen ende valscheyden, dats bij obrepcien, want dat alsdan niet en doogh
    1496 CoutBrab. II 2 S. 23
  • quade causa, quycte van surreptiën ende obreptiën qualic gheappelleert zijnde
    1537 Hulst 60
unter Ausschluss der Schreibform(en):